Gecultiveerd vs Wild, fytonutrienten, verschil in smaak, verschil in inhoudsstoffen.

Op het vlak van voedingswaarden valt er veel te zeggen over wilde eetbare planten.
Alhoewel dit thema ons ver kan leiden, wil ik toch graag de essentie meedelen.  Deze tekst is bedoeld om je aan te zetten tot denken, en bevat geen absolute waarheid. 

Achter elke smaak, kleur, textuur en geur ligt een stof die een bepaalde werking heeft op het lichaam.

De stoffen die smaak, kleur en geur geven, zijn meestal secundaire plantmetabolieten, die bij elke plant uniek zijn.

Secundaire plantmetabolieten of fytonutriënten, zijn stoffen die in elk deel van de plant worden teruggevonden en voor allerlei functies in de plant zorgen zoals de bestuiving en bescherming tegen ongedierte.

Doordat ze niet zorgen voor de groei van de plant en door de plant zelf worden aangemaakt noemen we ze secundair. Voor de mens zijn deze stoffen smaakbepalend en brengen ze ook heel wat “geneeskrachtige” eigenschappen met zich mee. Het “boomt” van het onderzoek naar het preventief inzetten van fytonutriënten bij ziekten als kanker of parkinson, waarbij velen, hoe controversieel dan ook al hebben kunnen besluiten dat preventieve inname zeker voordelen kan hebben.

Van al deze fytonutriënten (waaronder fenolen,triterpenen,niet alkaloïde stikstofverbindingen,…), zijn er heel veel met een BITTERE smaak. Andere planten hebben bijvoorbeeld een wrange of zure smaak, waarachter nogmaals specifieke stoffen schuilen. 

Met de eerst gekende grote landbouw-bakermat rond de Tigris en Eufraat begon men aan de eerste grote cultivatie van de natuur. De eerste letterlijke cultuur ontstond. Geselecteerde groenten en fruit werden aangeplant en al snel begon de selectie naar wat lekkerder en groter was ( Maar ook gemakkelijk te bewaren,…). Met vijgen en dadels als eerst door archeologen ontdekte aangeplante gewassen, wordt de trend naar zoet al snel duidelijk. Wilde planten en “onkruiden” behoren in deze tijd nog tot de voeding.

Wanneer we naar wildere planten kijken, zien we in het algemeen, bittere, scherpe, zure en wrange smaken. Wanneer deze selectie van gewassen begon, werd er waar mogelijk voor steeds zoetere variëteiten gekozen.

Door deze selectie van bijvoorbeeld bitter naar zoeter, selecteren we de bittere fytonutriënten er uit waardoor ze niet meer door de mens kunnen opgenomen worden. Kijken we naar de originele vruchten van kersen, abrikozen, citrus-vruchten of ananas merken we dat deze allemaal bitter waren.

Wanneer we systematisch stoppen met het eten van “wilde planten”, dan krijgen we dus via de “normale” bron van voeding ook geen of weinig bitterstoffen meer binnen.

De laatste 100 jaar zien we dan een mega-shift naar een hyper-zoete samenleving. De consument heeft al snel de smaak te pakken na de eerste geraffineerde suikers binnen te hebben gespeeld en drijft de druk omhoog om steeds zoeter te gaan, waardoor nog grotere selectie gebeurt op deze planten om deze bittere toets er uit te krijgen.

In de voedingsindustrie zien we een grote inspanning om deze bitterheid uit de voeding te krijgen. Het weghalen van dit bitter van groenten en fruit door de voedingsindustrie resulteert in de verwijdering van o.a. fenolen, flavonoïden, isoflavonoïden, terpenen en looistoffen, juist die (bitter)stoffen die zo belangrijk zijn in de voeding. Dit weghalen gebeurt mechanisch of door veredeling.

Er is een soort van obsessie naar zoetere, grotere en bijna surrealistische stijl van groenten en fruit, wat resulteert in een selectie naar de best uitziende voeding, maar met verminderde voedingswaarden op het vlak van fytonutriënten als gevolg.

Doordat alleen de best-uitziende, zoete rassen overblijven, verdwijnen heel wat oude rassen die ondertussen onder de noemer “ vergeten groenten” of “oude rassen” zijn gevallen.

De vermindering in planten of fytonutriënten leidt tot een verarming van stoffen in het lichaam. Een grote verscheidenheid van stoffen zijn in een ver verleden aanwezig geweest, maar zijn doorheen de eeuwen heen, en vooral de laatste honderd jaar sterk verminderd.

Een enkele wilde of weinig door de mens veranderde plant kan wel honderden nutriënten bevatten waaronder zeer veel fytonutriënten. 

De verwijdering van de vaak zeer complexe stoffen in het eten, gevonden in vele kruiden en wilde planten betekent de verwijdering van zeer veel anti-of pro-stoffen die het lichaam ondersteunen. 

Een enkele salade met duizendblad, paardebloembladeren, vogelmuur, lievevrouwebedstro, witte doveneteltopjes en jonge kamilleblaadjes bevat honderden, dan niet duizenden stoffen die allen hun werking of ondersteuning zullen hebben op het lichaam. Doordat deze stoffen vaak eigen of uniek zijn aan de plant, zijn ze vaak afwezig in de commerciële voeding.

Wanneer we weten dat eetbare fytronutriënten in het algemeen ondersteunend werken voor alle stofwisselingsprocessen, moeten we eens gaan nadenken over het gevolg van de afwezigheid hier van. Een andere interessante denkpiste zou zelfs kunnen zijn dat een afwezigheid ziekte als gevolg heeft, een denkpiste die we al lang volgen bij essentiële vitaminen en mineralen.

Bij vermindering van het eten van wilde en gecultiveerde kruiden, sluiten we de poort naar zeer veel antitumorale, leverondersteunde, zuiverende, immuunversterkende, hartregulerende,... eigenschappen .Eigenschappen, die we in deze tijden zeker kunnen gebruiken.